Cursus

Basistraining VVE

Iedereen dezelfde sterke basis!

Pedagogisch medewerkers en peuterleidsters hebben van het begin af aan grote invloed op de ontwikkeling van jonge kinderen. Zij zijn er niet alleen voor de zorg van het kind. Ze begeleiden en stimuleren ook het leren en de ontwikkeling. Hun pedagogisch-didactische kwaliteiten maken het verschil.

Over de cursus

Met de Basistraining VVE krijgen alle pedagogisch medewerkers dezelfde stevige basis in het pedagogisch-didactisch handelen. Door gericht naar kinderen te kijken en aansluitend boeiende en uitdagende (spel)activiteiten te bieden, begeleiden en stimuleren pedagogisch medewerkers de ontwikkeling. Zo krijgen kinderen wat ze nodig hebben.

In de Basistraining VVE staan veel voorkomende (spel)activiteiten en dagelijkse routines centraal. Pedagogisch medewerkers leren om vanuit deze activiteiten de ontwikkeling van de kinderen te begeleiden, te verrijken en te verdiepen. Uitgangspunten zijn de (brede) ontwikkeling van jonge kinderen (hoe zij spelend leren) en de rol van de beroepskracht daarbij (handelingsgericht en doelgericht observeren, begeleiden en stimuleren). De opgedane theorie wordt gekoppeld aan de praktijk en is daarmee direct relevant voor de eigen groep.

De Basistraining Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE) bestaat uit 12 dagdelen, biedt een goede startkwalificatie voor VVE en voldoet aan de wettelijk gestelde eisen.

De inhoud van de Basistraining VVE is:

  • gebaseerd op recente inzichten uit literatuur en onderzoek;
  • aangescherpt vanuit de feedback van een expertgroep met vertegenwoordigers uit de wetenschap, het werkveld en de opleidingen;
  • uitgevoerd en geëvalueerd in acht pilot trainingsgroepen en op basis daarvan bijgesteld;
  • gebaseerd op spel als bron van leren en ontwikkeling;
  • kunnen aansluiten bij wat kinderen leren en kunnen;
  • kansen zien en benutten om kinderen verder te helpen in hun ontwikkeling;
  • reflecteren op eigen handelen om vervolgens goede vervolgacties te kunnen plannen en uitvoeren.

Tijdens de opleiding leg je een portfolio aan om de eigen ontwikkeling vast te leggen. De deelnemers ontvangen een VVE Basis certificaat bij voldoende aanwezigheid, uitvoering van de opdrachten en portfolio. 


De volgende onderwerpen komen tijdens de cursus aan bod:


  • Kennismaken met elkaar en toelichting opbouw 12 bijeenkomsten van de Basistraining VVE.
  • Dagritme is leidraad deze bijeenkomst.
  • Introductie van de Talentendriehoek, inzoomen op de pijler‘kind’.
  • Kennismaken met verkennen als eerste van de drie V’s (verkennen, verbinden en verrijken): het belang van het observeren van kinderen.
  • Het belang van reflectie: welke verschillende manieren van reflecteren zijn er en hoe wordt hieraan gewerkt in de training.
  • Gedurende de gehele cursus wordt er een koppeling gemaakt met de gebruikte VVE-methodiek op het kindcentrum.


  • Accent op de pijler ‘omgeving en materiaal’ van de Talentendriehoek. Hoe stimuleren de omgeving en het materiaal interactie? Inzicht in de verschillende handelingen en taaluitingen die materialen kunnen oproepen.
  • Toelichting op verloop en ontwikkeling van constructiespel.
  • Kennismaken met de doelen ‘Taalontwikkeling van het jonge kind’ en met de verschillende vormen van ‘praten’ (speelpraten, doenpraten, denkpraten en steunpraten).
  • Oefenen met het koppelen van de ‘praatvormen’ aan het spel van kinderen, als een mogelijkheid om te ‘verbinden’ en te ‘verrijken’.


  • Accent op de pijler ‘pm’er’ van de Talentendriehoek plus de drie V’s. De drie V’s (verkennen, verbinden, verrijken) vormen een didactiek waarmee de pm’er op een goede manier kansen kan grijpen en om de ontwikkeling van kinderen te stimuleren. Dit wordt uitgewerkt aan de hand van de alledaagse activiteit ‘buiten spelen’.
  • Inzicht in de rol van pm’er bij het verbinden en verrijken van het spel van kinderen.
  • Kennismaken met de doelen ‘Taalontwikkeling van het jonge kind’, ‘Rekenontwikkeling van het jonge kind’ en ‘Sociaal-emotionele ontwikkeling van het jonge kind’. Je leert hoe deze kunnen worden gebruikt om doelgericht te werken aan de ontwikkeling van kinderen.


  • Bijeenkomst over gesprekken die spontaan ontstaan en gesprekken die door de pm’er gepland zijn, met speciale aandacht voor het voeren van taal/denkgesprekken. Bij alle gesprekken staat de betrokkenheid en het initiatief van het kind centraal. De leidraad hierbij is goed kijken en luisteren naar de ander, oprecht geïnteresseerd zijn in elkaars verhaal en respect tonen voor ieders inbreng.
  • Verder aandacht voor groepsmanagement, in het bijzonder voor het belang van een goed ingerichte speelleeromgeving. Het kunnen organiseren van kleine groepen staat daarbij centraal. Goede gesprekken voeren met groepjes kinderen lukt immers alleen als de andere kinderen zelfstandig kunnen spelen in een uitdagende en speelleeromgeving.


  • Bijeenkomst over hoe pm’ers op een zo goed mogelijke manier – en in een uitdagende geletterde omgeving – kunnen voorlezen en taaldenkgesprekken kunnen voeren over en naar aanleiding van prentenboeken.
  • Aandacht voor afstemming op de (mogelijke) verschillen tussen kinderen, zoals in taalontwikkeling, leeftijd, leefwereld, ervaringen en interesses (sensitief -responsieve houding).
  • Verbinding met de doelen ‘Taalontwikkeling van het jonge kind’, onderdeel ontluikende en beginnende geletterdheid Leesplezier’, ‘Oriëntatie op boek en verhaal’ en ‘Fonemisch en alfabetisch principe’.


  • Bijeenkomst waarin spel en spelbegeleiding centraal staan. De spelontwikkeling van jonge kinderen, het rollenspel, interactie en het begeleiden van spel
  • Naast de spelontwikkeling ligt de nadruk op de sociaal emotionele ontwikkeling, waarbij ook de doelen ‘Sociaalemotionele ontwikkeling van het jonge kind’ aan bod komen.
  • De drie V’s (verkennen, verbinden en verrijken) worden bewust ingezet om de gestelde doelen te bereiken. Een belangrijk aandachtspunt bij spelbegeleiding is dat de pm’ers tijd leren nemen om het spel te verkennen, te verbinden en te verrijken. Vanuit de situatie in de huishoek worden de onderdelen ‘ruimte’, ’tijd’ en ‘groepen’ (management) behandeld, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar ‘ruimte’.


  • De pijler ‘omgeving en materiaal’ van de Talentendriehoek wordt in deze bijeenkomst verdiept door een indeling te maken naar twee ontwikkelingsgebieden, namelijk beeldende ontwikkeling en rekenontwikkeling. Zowel bij de beeldende ontwikkeling als bij de rekenontwikkeling is ‘creativiteit’ een belangrijk begrip dat zowel in enge als in ruime zin opgevat kan worden: beeldende ontwikkeling en creatief denken en handelen. Beide aspecten komen aan bod.
  • Aan de hand van de doelen ‘Rekenontwikkeling van het jonge kind’ wordt een onderdeel van de rekenontwikkeling kort belicht.
  • Daarbij is er zowel aandacht voor de doelen (als voorbeeld van het maken van constructies), als voor het creatief denken en handelen.
  • Ook komt aan bod hoe beeldend werken en het maken van constructies begeleid kunnen worden.
  • Verder aandacht voor de manier waarop het opbergen en het opruimen van materialen kunnen bijdragen aan het gevoel zelf iets te mogen bepalen (autonomie van kinderen).


  • In deze bijeenkomst gaat het om leren observeren en werken aan een doorgaande lijn naar de vroegschool. Goed kunnen observeren is belangrijk en het behoort tot de kern van het werken met jonge kinderen. Doelgericht waarnemen met je hoofd, je hart en je handen is tevens de eerste stap van de cyclus van opbrengstgericht werken. Deze cyclus wordt in deze bijeenkomst geïntroduceerd, aan de hand van het observeren van veiligheid, welbevinden en betrokkenheid, als belangrijke kwaliteitsbepalende factoren.
  • Deelnemers oefenen het observeren en registreren van deze factoren. Ze denken na over hun eigen aandeel of rol in de ontwikkelingsstimulering van alle kinderen en kinderen die meer of speciale aandacht nodig hebben. Ook bedenken ze welke consequenties dat heeft voor hun handelen. In de bijeenkomsten 9 en 10 wordt het opbrengstgericht werken verder uitgewerkt.


  • In deze bijeenkomst komt het uitbreiden van de woordenschat van kinderen aan bod. Aan de orde komen de eerste en tweede taalverwerving en de manier waarop de pm’er de woordenschat zo mogelijk kan uitbreiden op een speelse manier. Daarbij ook aandacht voor non-verbale communicatie.
  • Er is vooral aandacht voor planmatig handelen naast incidenteel handelen bij het uitbreiden van de woordenschat. De BAK-lijst (Thematische woordenlijst) en de doelen ‘Taalontwikkeling van het jonge kind’. De doelen ‘Rekenontwikkeling van het jonge kind’ worden hierbij gebruikt als onderdeel van het opbrengstgericht werken.
  • Daarnaast wordt een overzicht gegeven van de cyclus van het opbrengstgericht werken (OGW). De vier fasen van het model dat in bijeenkomst 8 geïntroduceerd is, worden belicht. In bijeenkomst 10 wordt de cyclus nader uitgewerkt.


  • Opnieuw aandacht voor de OGW-cyclus. Waar eerder de nadruk lag op ‘waarnemen’ (bijeenkomst 8) en ‘begrijpen’ (bijeenkomst 9), ligt in deze bijeenkomst het accent op ‘plannen’ en ‘realiseren’, met gebruikmaking van de eigen planningsformulieren passend bij de gebruikte VVE-methodiek. Doorpendelen tussen doelen en activiteiten krijgen de activiteiten verdieping en verbreding.
  • Deze bijeenkomst gaat het om alle doelen: taalontwikkeling, rekenontwikkeling, sociaalemotionele ontwikkeling, en de motoriek. Motoriek 0-4 jarigen.
  • Vervolgens wordt de gehele OGW-cyclus geïllustreerd met filmfragmenten, zodat een goed beeld ontstaat van de OGW-cyclus in de dagelijkse praktijk. Deze worden verbonden aan de eigen werksituatie. Tevens wordt aandacht besteed aan de tijd- en taakverdeling.
  • Na het behandelen van de OGW-cyclus op microniveau, wordt de overstap naar een hoger niveau van de OGW-cyclus gemaakt, namelijk die van groepsplannen.


  • Deze bijeenkomst gaat over ouderbetrokkenheid, waarbij het accent ligt op gesprekken met ouders over hun kind. In deze gesprekken staat de ontwikkeling van het kind en hoe deze ontwikkeling te stimuleren centraal. De ouder en de pm’er hebben ieder vanuit hun rol een aandeel in het stimuleren van deze ontwikkeling, ze zijn partners van elkaar. Het is aan de pm’er om dit ‘partnerschap’ in gesprekken te creëren. De leidraad bij deze gesprekken wordt gevormd door goed naar de ander te kijken en te luisteren, oprecht geïnteresseerd te zijn en respect te tonen voor de ander.
  • De zes interactievaardigheden (sensitieve responsiviteit; respect voor autonomie; structureren en leiding geven; praten en uitleggen; begeleiden van onderlinge interacties; ontwikkeling stimuleren) spelen hierbij een belangrijke rol.


Terugblik op de verworven competenties (oa. op basis van het portfolio) en aandacht voor het implementeren en borgen van de opgedane kennis van VVE op de eigen groep en binnen de organisatie.